Auteursarchief Terug

Hieronder staat informatie over de verschillende auteurs, tekstbewerkers en groepen waarvan bij ons op school ooit een stuk is gespeeld of een project de school heeft bezocht.

Bronvermelding: Microsoft® Encarta® Naslagbibiliotheek Winkler Prins®
Het Nederlands Carmelitaans Instituut Boxmeer
Jubileumboek "Gouden Grundel"
Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden
Internetsites: www.janjonk.nl
www.engeburen.nl
www.theaterfonds.be
www.theatergroepnieuwekoning.nl
www.volleventen.com
www.wim-zomer.nl


Aeschylus
Ton Agterbosch
Jean Anouilh
Aristophanes
Godfried Bomans
Denis Diderot
John Dighton
Enge Buren
Ivo van Dinther (O.Carm)
Herman Finkers
Henri Ghéon
Guus Haverkate
Jan Jonk
Douglas Murray
Jan Naaijkens
Jan Paulus Naeff
Theatergroep "De Nieuwe Koning"
Wim Pelgrim
Rob Rietberg
William Shakespeare
Volle Venten
Guus Vleugel
Margaret Wood

Wim Zomer

Naar het begin van de pagina


Aeschylus (Eleusis ±525 v. Chr. – Gela (Sicilië) 456 v. Chr.)
Aeschylus was de eerste van de drie grote Griekse tragedieschrijvers. Hij stamde uit een aanzienlijke familie. Hij streed in het Griekse leger tegen de Perzen bij Marathon en Salamís; omstreeks 470 verbleef hij enige tijd aan het hof van koning Hiëro I in Syracuse. Later ondernam hij nog een tweede reis naar Sicilië, waar hij ook gestorven is. Met zijn tragedies behaalde hij bij de toneelwedstrijden te Athene in totaal 13 overwinningen, voor het eerst in 484.
Aeschylus zou meer dan 90 tragedies geschreven hebben. Hiervan zijn nog 79 titels bekend. De stof is behalve aan de mythologie aan de Trojaanse en Thebaanse sagenkring ontleend. Er zijn zeven tragedies bewaard gebleven en 500 fragmenten
Aeschylus, die geldt als de schepper van de tragedie, was een dramaturg van grote allure. Diep religieus, confronteert hij in zijn werk de mens met de macht van de goden, die volgens hem de menselijke schuld nooit ongewroken laten. Hybris (=overmoed) en misdaad van de mens wekken volgens Aeschylus de wraak van de goden op. Lijden, dat lering en verzoening met de wil van de goden kan brengen, treft een geslacht tot in latere generaties. De goddelijke gerechtigheid is verpersoonlijkt in de gestalte van Zeus. De karakters bij Aeschylus zijn groots, lapidair en ongenuanceerd. Zijn taal is zwaar en geladen, krachtig, soms duister. Vooral in de lyrische onderdelen komen gedurfde woordcombinaties voor.
De Perzen is de enige bewaarde tragedie waarvoor Aeschylus zijn stof aan de eigentijdse geschiedenis ontleende. De Oresteia is de enige trilogie die uit de oudheid bewaard is gebleven; het bijbehorende, op dezelfde dag opgevoerde saterspel Proteus is verloren gegaan. Door sommigen wordt de authenticiteit van Prometheus geboeid betwijfeld. De invloed van dit werk op de latere literatuur is bijzonder groot geweest. Prometheus werd tot een symbool van verzet tegen dwingelandij en knechting of tegen de onverbiddelijkheid van het lot.
Aeschylus heeft het toneel nieuwe spelmogelijkheden gegeven door aan het koor en de eerste acteur een tweede speler toe te voegen. Bekend is dat hij zijn eigen stukken regisseerde en dikwijls zelf meespeelde. Een majestueuze toneelaankleding ondersteunde het indrukwekkende effect van zijn tekst.

WERK (o.a.): Persai (De Perzen) (472 v. Chr.)
Hepta epi Thèbas (De zeven tegen Thebe) (467 v. Chr.)
Hiketides (De smekeling) (465 v. Chr.
Oresteia (458 v. Chr.)
Agamemnon, Choèphoroi (De offerplenster) en Eumenides (Eumeniden)
Promètheus desmootès (Prometheus geboeid)
Niobe
Myrmidonen
Diktuoulkoi (De nettenvisser)

Naar het begin van de pagina


Agterbosch, Ton (... - ...)
Ton Agterbosch werd in 1964 leraar Nederlands op de Grundel. Dit is hij jarenlang gebleven. Tevens is hij zeer lang bibliothecaris geweest van de schoolbibliotheek.

WERK (o.a.): Het versierde pensioen (1977)
Revue "Vliegende schotels"
(1997)

Naar het begin van de pagina


Anouilh, Jean (Bordeaux 23 juni 1910 – Lausanne 3 okt. 1987)
Frans toneelschrijver en regisseur, wiens omvangrijk oeuvre in belangrijke mate heeft bijgedragen tot de bloei van het Franse toneel na de Tweede Wereldoorlog. Anouilh studeerde rechten, trad in 1931 als secretaris in dienst van Louis Jouvet en maakte in dat zelfde jaar naam met L’Hermine. Zijn eerste grote successen waren: Le voyageur sans bagage (1937), La sauvage (1938) en Le bal des voleurs (1938). Hij verdeelde zelf zijn toneelstukken in ‘Pièces noires’, ‘Pièces roses’, ‘Pièces brillantes’, ‘Pièces grinçantes’ en ‘Pièces costumées’. Deze indeling komt overeen met een ontwikkeling van fantasie en humor naar satirische bitterheid en een steeds somberder wordend pessimisme. Zijn toneelstukken zijn bijna alle dramatische verbeeldingen van het volgens de schrijver allesbehalve benijdenswaardige levenslot van de mens, die, zoekend naar zuiverheid en geluk en naar werkelijk contact met de medemens, daarin vaak belemmerd wordt door de feitelijke omstandigheden en door de structuur van het eigen karakter. Deze verbeeldingen getuigen vaak van een feilloos gevoel voor wat toneel is en komen dan ook veel duidelijker tot hun recht in de voorstelling op het toneel dan bij het lezen van de stukken. Hij schreef tevens verschillende filmscenario's.

WERK (o.a.): Léocadia (1939)
Le rendez-vous de Senlis (1939)
Eurydice (1942)
Antigone (1944)
Roméo et Jeannette (1946)
Cécile, ou l'ecole des pères (1949)
La répétition ou l'amour puni (1950)
Médée (1953)
L’invitation au château (1947)
Colombe (1951)
La valse des Toréadors (1952)
L’Alouette (1953)
Ornifle (1955)
Pauvre Bitos ou le dîner de têtes (1956)
L’Hurluberlu ou le réactionnaire amoureux (1959)
Becket ou l’Honneur de Dieu (1959)
La grotte (1961)
L’orchestre (1962)
Le boulanger, la boulangère et le petit mitron (1968)
Cher Antoine (1969)
Les poissons rouges (1970)
Ne réveillez pas Madame (1970)
Tu étais si gentil quand tu étais petit (1972)
Le directeur de l’opéra (1972)
L’arrestation (1975)
Chers zoiseaux (1976)
Le scénario (1976)
Vive Henri IV (1977)
Oedipe roi (1986)

Naar het begin van de pagina


Aristophanes (Athene ±445 v. Chr. – Athene na 388 v.Chr.)
Aristophanes was een Grieks blijspeldichter, de grootste komediedichter van de zogenaamde Attische komedie. Zijn eerste blijspel werd opgevoerd in 427, dus in het begin van de Peloponnesische Oorlog, waarop zijn stukken herhaaldelijk betrekking hebben.
Van zijn 44 blijspelen, vaak naar het erin optredende koor genoemd, zijn er elf bewaard.Aristophanes, die een welgesteld, conservatief grootgrondbezitter was, hekelt in zijn stukken zowel de radicale democratie en de demagogen als de nieuwe stromingen op het gebied van religie, ethiek, opvoeding, poëzie en muziek en de vertegenwoordigers daarvan, gebruikmakend van de bijna onbeperkte vrijheid die de oude komedie bood om de spot te drijven met mensen en zelfs met goden. Herhaaldelijk komen in zijn stukken thema's aan de orde als de verheerlijking van de vrede, de verderfelijkheid van Euripides’ toneel, het gevaar van de sofisten (zie sofisme). De politieke strekking treedt in zijn laatste stukken sterk op de achtergrond. In een bepaald gedeelte van de komedie (de parabasis) richtte hij zich bij monde van het koor zelf tot het publiek. Zijn kunst bestaat in zijn prachtige Attische taal, de verrassende en fantastische opzet, zijn speelse en vernuftige woordspelingen en parodieën, zijn meesterschap als verskunstenaar, zijn geniale invallen en uitbundige, soms rauwe en obscene geestigheid.

WERK (o.a.): Acharnès (De Acharniërs) (425 v. Chr.)
Hippès (De ridders) (424 v. Chr.)
Nephelai (De wolken) (423 v. Chr.)
Sphèkes (De wespen) (422 v. Chr.)
Eirènè (De vrede) (421 v. Chr.)
Ornithes (De vogels) (414 v. Chr.)
Lysistrata (411 v. Chr.)
Thesmophoriazusae (De vrouwen die het Thesmophorienfeest vieren) (411 v. Chr.)
Batrachoi (De kikkers) (405 v. Chr.)
Ecclesiazusae (Het vrouwenparlement) (392 of 389 v. Chr.)
Ploutos (Pluto) (388 v. Chr.)

Naar het begin van de pagina


Bomans, Godfried ('s-Gravenhage 2 maart 1913 – Bloemendaal 22 dec. 1971)
Nederlands prozaïst, studeerde rechten in Amsterdam en psychologie in Nijmegen. Al tijdens zijn studententijd deed hij van zich spreken. Hij verwierf grote populariteit met zijn boeken voor volwassenen en voor kinderen: parodistische of speelse verhalen en ironische, soms tedere sprookjes. Bomans beschikte over een speelse fantasie, een bijzonder gevoel voor humor en een opmerkelijke stijl. Hoewel de kwaliteit van zijn werk soms door een zekere hang naar effect bedreigd wordt, getuigt de wijze waarop hij allerlei zaken van sociale, culturele en godsdienstige aard benaderde, veelal van grote scherpzinnigheid en van origineel denken. Bomans was een bewonderaar van het werk van Charles Dickens en van Hildebrands Camera obscura; zijn grote kennis van de sprookjesliteratuur, o.a. Hans Christian Andersen en Charles Perrault berustte op affiniteit met dit genre. De laatste jaren voor zijn dood gaf Bomans, voor de televisie, gestalte aan een zeer persoonlijke gesprekstechniek, die het midden hield tussen interview en dialoog.

WERK (o.a.): Bloed en liefde (1937)
Memoires of gedenkschriften van Mr. Pieter Bas (1937)
Erik, of het klein insectenboek (1941)
Kopstukken (1947)
Sprookjes (1947)
Buitelingen (1948)
De avonturen van Clifford (1948)
Wonderlijke nachten (1949)
De avonturen van Pa Pinkelman (1952)
Pa Pinkelman in de politiek (1952)
De avonturen van Tante Pollewop (1953)
Capriolen (1953)
Nieuwe buitelingen (1955)
Pa Pinkelman omnibus (1955)
Wandelingen door Rome (1956)
Op het vinketouw (1957)
Het zondagskind (1958)
Noten kraken (1961)
Omnibus (1962)
Op de keper beschouwd (1963)
Van de hak op de tak (1965)
Godfried Bomans’ sprookjesboek (1965)
Denkend aan Vlaanderen (1967)
Mijmeringen (1968)
Van hetzelfde (1969)
Beminde gelovigen (1970)
Van dichtbij gezien (1970)
De man met de witte das (1971)
Een Hollander ontdekt Vlaanderen (1971)
Dickens, waar zijn uw spoken? (1972)
Op reis rond de wereld en op Rottumerplaat (1972)
Gesprekken met bekende Nederlanders (1972)
Nagelaten werk (3 dln., 1973–1974)
Aforismen (1977)
Naar het begin van de pagina
Diderot, Denis(Langres 5 oktober 1713 – Parijs 31 juli 1784)
Denis Diderot was een Frans schrijver en ontving als zoon van welgestelde middenstanders een uitstekende opvoeding bij de jezuïeten. Hij studeerde rechten in Parijs, maar weigerde daarna een beroep te kiezen.
Na een moeizaam debuut in de letteren, o.a. met vertalingen uit het Engels) kwam hij in aanraking met bekende letterkundigen als Jean-Jacques Rousseau en Condillac. Zijn "Lettre sur les aveugles" bracht hem, wegens enkele gewaagde passages over het voor blinden onnodige godsgeloof, voor enige maanden in de gevangenis. Na zijn vrijlating werd hij door de uitgever Le Breton belast met de bewerking van "Chambers' cyclopaedia". Enthousiast zette hij zich, met een groot aantal medewerkers, o.a. d'Alembert, aan de uitgave van een origineel werk, waarin hij een uiteenzetting en een synthese wilde geven van het menselijk weten op elk gebied en wist het, ondanks teleurstellingen en verzet van de overheid, te voltooien. Daarnaast schreef hij vooral essays, waaruit zijn geleidelijke overgang naar een atheïstisch-materialistische wereldbeschouwing blijkt. Zijn gehele oeuvre, met de merkwaardige uitzondering van de roman "La religieuse", werd op de Index geplaatst. Voor zijn essays, waarvan sommige, minder juist, met de term ‘conte’ of ‘roman’ worden aangeduid, koos de schrijver de vorm van de dialoog, waardoor hij in staat was de verschillende aspecten van problemen als oorspronkelijkheid tegenover imitatie, geopenbaarde religie tegenover atheïsme te belichten. Een aantal van zijn werken wordt gerekend tot de fraaiste producten van de Franse letteren. Ook voor het Franse toneel heeft Diderot betekenis gehad, niet zozeer door zijn ijveren voor een nieuw genre het ‘drame bourgeois’, als wel door zijn "Paradoxe sur le comédien", waarin hij op scherpzinnige wijze de rol van de toneelspeler ontleedt. Zijn kunstkritieken hebben terecht bekendheid gekrege. Diderots interessante persoonlijkheid spreekt ook uit de uitvoerige correspondentie, vooral uit de brieven aan zijn vriendin Sophie Volland.
WERK (o.a.): Le fils naturel (1757)
Le père de famille (1760)
Le neveu de Rameau (1765)
Le rêve de d'Alembert (1769)
Supplément au voyage de Bougainville (1772)
Paradoxe sur le comédien (1773)
Jacques le fataliste et son maître (1774)
Salons (verzamelde toneelkritieken)

Naar het begin van de pagina


Dighton, John (1909-1989)
John Dighton was een succesvolle Britse toneel- en filmschrijver.
Hij schreef voor het toneel tot 1936. Vanaf dat jaar ging hij voor de film schrijven. Hij schreef voor diverse bekende comedy's, bewerkte onder andere Charles Dickens' Nicholas Nickleby voor film en deelde een Oscarnominatie voor The Man in the White Suit (1952) en kreeg een tweede voor Roman Holiday (1953).

WERK (o.a.): Hail and Farewell (1936)
Sailors Three (1940)
Let George Do It (1940)
Saloon Bar (1940)
The Ghost of St. Michael's (1941)
Turned Out Nice Again (1941)
The Black Sheep of Whitehall (1942)
Went the Day Well? (1942)
The Goose Steps Out (1942)
The Foreman Went to France (1942)
The Next of Kin (1942)
My Learned Friend (1943)
Champagne Charlie (1944)
Nicholas Nickleby (1947)
Saraband for Dead Lovers (1948)
Kind Hearts and Coronets (1949)
The Happiest Days of Your Life (1950) (based on his play)
The Man in the White Suit (1951)
Who Goes There? (1952) (based on his play The Passionate Sentry)
Brandy for the Parson (1952)
Folly to Be Wise (1953)
Roman Holiday (1953)
The Swan (1956)
The Barretts of Wimpole Street (1957)
Summer of the Seventeenth Doll (1959)
The Devil's Disciple (1959)

Naar het begin van de pagina


Enge Buren (onbekend-heden)
Enge Buren zijn gewapend met een uitgebreid, zeer uiteenlopend arsenaal aan instrumenten, zoals gitaar, Afrikaanse trommels, accordeon, bouwhelmen, en gezegend met prachtige samenvallende stemmen.Verder maken ze gebruik van cabaret, muziek en acrobatiek. Niets is te gek en alles is mogelijk, zowel muzikaal als theatraal. De shows zijn nooit het zelfde, maar altijd afhankelijk van locatie, stemming en publiek, met wie ze het lichamelijk contact nimmer vermijden.
Het trio bestaat uit Bob, Bram en Bep, ieder met zijn eigen typische kenmerken. Samen zorgen ze voor een bonte show die bol staat van de muziek.

Naar het begin van de pagina


Dinther (O.Carm), Ivo van (Geffen 14 mei 1915 - Boxmeer 29 november 2001)
Pater Ivo van Dinther werd op 4 mei 1915 te Geffen geboren. Na de middelbare opleiding te Uden en te Gemert trad hij op 31 augustus 1936 in in de Karmel van Boxmeer. Op 9 september 1940 legde hij zijn plechtige professie af en op 11 juli 1943 werd hij priester gewijd.

Hij vervulde verschillende functies. Hij was acht jaar hoofdredacteur van Carmelrozen, directeur van de Derde Orde en assistentiepater in de omgeving van Merkelbeek. Deze periode beschouwde hij als de mooiste tijd van zijn leven. Later was hij nog godsdienstleraar in Hengelo en prior in Enschede.

In zijn Limburgse periode liet hij al van zich horen door zijn publicaties. Toen hij naar Den Bosch verhuisde, waar hij de laatste dertig jaar van zijn leven doorbracht, besteedde hij vrijwel al zijn tijd aan kunst, cultuur en het Brabantse land. Hij organiseerde talloze 'Brabantse avonden', avondvullende programma's die hij vulde met bloemrijke voordrachten en verhalen. Ivo, was een begenadigd verteller en schrijver. Hij was niet alleen een taalkunstenaar. Hij was ook een niet onverdienstelijk schilder, die zijn inspiratie vooral zocht in de natuur en vooral in het landschap.

Als Karmeliet woonde hij de laatste dertig jaar alleen, maar zijn belangstelling voor de ontwikkelingen in de Orde was groot en wanneer medebroeders hem een bezoek brachten, of hij bij hen op bezoek ging, informeerde hij steeds uitvoerig hoe het met ieder gesteld was. Ivo had een bijzondere verering voor Titus Brandsma. De wortels daarvan lagen in zijn persoonlijke contacten die hij als frater met Titus heeft gehad.

WERK (o.a.): Beperkt Tellurium (1949)
Brunhilde: een spel van aardse en hemelse liefde (1949)
Het Vreemde Kind (1950)
Emigranten: Spel van het land in drie bedrijven (1951)
Sanneke en zijn sterrekind: een kerstverhaal (1951)
Even terug in de tijd (1952)
Het Vreemde teken (1952)
Ballade van de Brabantse Emigranten (1953)
Den Vogel af: openluchtspel in vier bedrijven (1953)
De stralende gloriekroon: Mariajaar 1953-1954 (1953)
"Ook zij zochten geluk": Jongste Amerikaanse Park- Perikels (1953)
De zeven bomen: een Passie-Paasspel in zeven taferelen (1956)
Het Kyrie der Madonna (1956)
Grundel Gijsbrechtigheden (1962)
"Die kijkt door je heen" (1970)
Zeven liederen (1973)
De Maaskant (1978)
Mense van veur de verkaveling: Wè vertelsels en verhaole uit de schôn kante
   van Geffe toe Maore (1980)
Mee de deur in den herd: Wè gedichte en tekeninge (1980)
Nog wè bont in de naowei (1980)
Torenklanken: Een fragmentarisch lichtspel over de toren en klokken van
   Geffen (1980)
De kalenders van Kriest van Kee van Kaote (1989)
Vesperaal: 55 versen die bleven liggen (1990)
Wè meegeve heurt bè den Brabantse mens (1993)
Brabant - 200 (1996)
De leste sneeuw (1997)
Brabant: eergiestere-overmèrge. op de stoep, bè tweeduzend (1999)
Hot en Aar: um oe henen (1999)
Avond (2000)
KVH St. Anna Kamer 9 (postuum)(2001)
Een noveen zegeningen: fragmenten voor de "welgevallige tijd"
Van Maore-Kèssel: We buurte bè de opening van un nèi raôdhuis
Boerke Naas (bewerking van Guido Gezelles tekst)
Ellef liekes rontelum Vastenaovend

Naar het begin van de pagina


Finkers, Herman (Almelo 9 dec. 1954 - heden)
Herman Finkers is een Nederlands cabaretier, die zijn carrière begon in zijn studietijd. Tijdens de studie psychologie te Groningen richtte hij met medestudenten en broer Wilfried de zangvereniging "Op Zwart Zangzaad" op, waar voornamelijk gedichten werden voorgedragen. Zijn droge humor viel op en in 1979 won hij op het Delfts Camerettenfestival zowel de tweede prijs, als de publieks- en persprijs. Dit resulteerde in zijn eerste programma. . Zijn broer Wilfried werkt mee aan zijn voorstellingen en schrijft er ook teksten voor. Finkers' interesse voor de katholieke liturgie leidde tot het componeren van een gewijde mis, de "Sint-Joris mis". Voor de KRO televisie bewerkte hij Shakespeares Macbeth tot tekenfilm en hij speelde een hoofdrol in het NCRV drama Het Verhaal van Kees (André van Duren, 1993).
Zijn stijl wordt gekenmerkt door zijn Twentse accent, houterige motoriek, zeer droge humor en het ontbreken van politiek commentaar.

WERK (o.a.): Op zwart zangzaad (1979)
Vinger in de bips (1980)
De terugkeer van Joop Huizinga (1982)
De Diana Ros Show (1983)
Als gezonde jongen zijnde (1983)
EHBO is mijn lust en mijn leven (1985)
Verhalen voor in het haardvuur (1987)
Het meisje van de slijterij (1987)
Kroamschudd'n in Mariaparochie (1988)
De zon gaat zinloos onder, morgen moet ze toch weer op (1990)
Dat heeft zo'n jongen toch niet nodig (1992)
De Sint Jorismis (1992)
Ik Jan Klaassen (1993)
Het carnaval der dieren (1993)
Geen spatader verander (1995)
Gen spatoader aans (Twents) (1995)
Ich bin ein Almeloër! (1996)
Kalm aan en rap een beetje (1997)
Het meisje met de eierstokjes (1997)
Tekenfilmbewerking van Shakespeares Macbeth

Naar het begin van de pagina


Ghéon, Henri (Bray-sur-Seine 15 maart 1875 – Parijs 13 juni 1944)
Henri Ghéon was een Frans toneelschrijver en arts, behoorde tot de oprichters en eerste medewerkers van de Nouvelle Revue Française. Hij interesseerde zich voor het volkstoneel en steunde Jacques Copeau bij zijn pogingen tot toneelvernieuwing in het Théâtre du Vieux-Colombier, waar ook zijn eerste ‘volkse’ stukken werden opgevoerd. Na de geruchtmakende breuk met Gide en de belevenissen in de oorlog volgde zijn overgang tot het rooms-katholicisme. Daarna bewerkte hij een zestigtal heiligenlevens voor het toneel die hij zelf met zijn ‘Compagnons de Notre-Dame’ opvoerde in de provincie. Hoewel geschreven zonder literaire pretentie, hebben sommige toch letterkundige en dramatische kwaliteiten. Zijn opvattingen over het toneel heeft hij neergelegd in L’Art du théâtre (1944). Hij schreef ook enkele romans en essays. Zijn correspondentie met André Gide werd in 1976 uitgegeven.

WERK (o.a.): Le pain (1911)
Eau-de-vie (1913)
Le pauvre sous l'escalier (1920)
La farce du pendu dépendu (1920)
La parade du pont au diable (1925)
Le comédien et la grâce (1925)
Saint Jean Bosco (1935)
L'art du théâtre (1944)
Correspondentie met André Gide (1897–1944)

Naar het begin van de pagina


Haverkate, Guus, (Hengelo 1946(?) - heden)
Guus Haverkate werd geboren als telg in een grote Hengelose familie die onlosmakelijk met de Grundel is verbonden. In 1958 werd hij leerling op het Lyceum De Grundel. In 1964 behaald hij zijn diploma en volgde de opleiding muziekwetenschappen. In 1970, toen hij met zijn doctoraal muziekwetenschappen bezig was, werd hij door de toenmalige rector Zonneveld gevraagd om muzieklessen te geven. Mede door de vrijstelling voor de dienstplicht en de bijverdiensten naast zijn studie, stemde hij in.Sindsdien is hij verbonden als leraar muziek aan De Grundel.
Sinds Guus Haverkate verbonden is aan de Grundel schrijft hij verschillende teksten, waaronder muziek, cabaret en revue. Al zijn toneel- en/of cabaretteksten hebben een relatie met De Grundel, zijn liedjes hebben ook met maatschappelijke thema's te maken.
Voor een van de liedjes die hij schreef, "Biokip", zijn plannen geweest om het op televisie uit te zenden, maar deze plannen zijn (jammer genoeg) afgeblazen.

WERK (o.a.): Liederen:
Mijn oude school (1972)
Scania Vabis
Biokip
Harry met de bus
Bang in het donker
Het Turkje

Cabaret(3):
o.a. Beschuit met muisjes
      Chemiebalco
      Pierewaaien

Toneel:
Terug naar de toekomst en vooruit naar het verleden
(1987)
Revue "Vliegende schotels" (1997)

Naar het begin van de pagina


Jonk, Jan,(Breda, 6 februari 1943 - heden)
Jan Jonk deed gymnasium B te Utrecht en studeerde vervolgens Engels aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Hij studeerde in 1975 af met als hoofdvak Historische Engelse Taalkunde en als bijvakken Algemene Taalwetenschap en Oud IJslands. Zijn doctoraalscriptie had als titel "Non-Northumbrian Elements in the Old English Gloss tot the Durham Ritual". Tijdens zijn studie maakte Jan Jonk vertalingen van werken van Tolkien, maar Max Schuchart is hem voor met publicatie.

Vanaf 1971 is hij leraar Engels en vertaalt veel werk van Shakespeare. In 1996 wordt hij getroffen door een hartinfarct, maar hij krijgt een nieuw leven. Zijn voornaamste hobby is het zingen van oude muziek, maar hij gaat ook uit zijn dak op reizen naar Engeland en Ierland, voor computers, en voor (portret)fotografie.

Hij hoopt dat zijn vertalen van Shakespeare, zijn 'klusje' zoals hij het wel noemt, hem zoveel geleerd heeft, dat hij ooit "The Holy Sonnets" van John Donne kan vertalen. Hij werkt ook aan zijn promotie aan de KUN op een proefschrift over 'The Chain Grammar, a description of the Verbal Group in Indo-European Languages.'

Naar het begin van de pagina


 

Kundera, Milan (Brno, Tsjechoslowakijke 1 april 1929 - heden)
Milan Kundera is een Frans (toneel)schrijver, essayist en dichter van Tsjechische afkomst. Hij studeerde in Praag en gaf van 1959 tot 1969 les in de filmgeschiedenis, werkte als arbeider en als jazzmusicus. Aan het einde van de jaren vijftig begon hij met het schrijven van wrange, satirische verhalen over de communistische wereld. Met zijn eerste bundel en roman viel Kundera met een reeks ironische portretten, waarmee ernstige onderwerpen in een humoristisch daglicht werden geplaatst, het communistische bewind aan. Na de invasie van het Russische leger in 1968 verloor hij, als gevolg van de Praagse Lente, zijn baan in het onderwijs en werd in zijn eigen land de publicatie van zijn boeken verboden, die voortaan eerst in Franse vertaling verschenen in Parijs. Zijn persoonlijke betrokkenheid bij het politieke en culturele klimaat van Tsjechoslowakije, bleek uit het historische en politieke kader van al zijn boeken, een achtergrond waartegen de hoop en vrees van de personages werd uitgewerkt. In 1973 werd hem de Prix Médicis toegekend en in 1975 kreeg hij toestemming te emigreren naar Frankrijk, waar hij docent vergelijkende literatuurgeschiedenis werd aan de universiteit van Rennes en later aan de École des hautes études en sciences sociales te Parijs. In 1981 nam hij de Franse nationaliteit aan. Kundera, die wellicht de beroemdste Tsjechische schrijver van zijn generatie is, dankte zijn grote bekendheid vooral aan L'insoutenable légèreté de l'être, dat in 1988 werd verfilmd als "The unbearable lightness of being".

WERK (o.a.): Smesné lásky (1958-1968)
Zert (1967)
L'insoutenble légèreté de l'être (1984)
L'art du roman (1986)
Le testement trahis (1993)
La lenteur (1995)

Naar het begin van de pagina


Murray, Douglas (... - ...)
Wij hebben geen informatie over deze auteur.

WERK (o.a.): Polly Perkins

Naar het begin van de pagina


Naaijkens, Johannes Jacobus Josephus (Hilvarenbeek 10 februari 1919 - heden)
Jan Naaijkens groeide op in het Brabantse, katholieke Hilvarenbeek. Zij broer overleed op jonge leeftijd en na de lagere school en een jaar ulo ging Naaijkens bij de fraters in Den Bosch naar school om onderwijzer te worden. Na zijn opleiding ontmoet hij Agnes van Kalmthout met wie hij trouwt en een gezin sticht. Hij krijgt twaalf kinderen en neemt ook nog diverse pleegkinderen op in zijn gezin.

Naast zijn werk als onderwijzer ontpopt Naaijkens zich als een man die zich op vele talige vlakken ontwikkeld. Hij wordt al zeer vroeg journalist en redacteur bij o.a. Edele Brabant, schrijft kinderboeken, verhalen voor onder andere Okki, stripverhalen, radioluisterspelen, recensies en colums, éénmaal een roman en vele toneelteksten; hij presenteert meer dan honderd edities van het maandelijkse radioprogramma Brabants Halfuur en organiseert toneelactiviteiten in zijn woonplaats Hilvarenbeek. Ook de mede door hem geïnitieerde Kempische cultuurdagen, waar uitwisseling tussen de Vlaamse en Nederlandse cultuur centraal stond, worden een groot succes en krijgen internationale alure.

Naaijkens wordt beschouwd als de nestor en inspirator van de Brabantse letteren. Toneel loopt door zijn leven als een rode draad. Hij schrijft, maar acteert ook in een periode (1945- ong. 1980) waarin het amateurtoneel in Brabant bloeit als nooit tevoren. Hij zou uiteindelijk 3000 pagina's vullen met toneel. Zware onderwerpen en terugkerende motieven zijn in zijn werk niet aangetroffen. Voor kinderen moest toneel een feest zijn, vond hij: 'De wereld gaat aan ernst ten onder.' De aandacht voor Brabant, het Roomse leven en de gemeenschapszin is in het begin van zijn oeuvre (tot eind jaren '50) duidelijk aanwezig, maar verdwijnt van lieverlede. Hij schreef dan ook veel in opdracht van kerken en katholieke instellingen.

Ook de tv- en filmwereld lonken en de KRO vraagt Naaijkens voor een televisieserie. Zijn In de Rommelpot flopte echter jammerlijk en verdween na drie afleveringen van de buis. Met de opvoering van Midas, of Een ezel blijft een ezel op televisie gloort hoop voor Naaijkens en na het succes van dit spel wordt hij gevraagd voor meer televisiespelen.

Een laatste liefde van Naaijkens is de beelde kunst. Hij schildert, tekent en illustreert; hij is bevriend met diverse kunstenaars, maar verwerft uiteindelijk geen grote bekendheid met zijn beeldende werk, waar hij dit wel doet met zijn literaire werken.

WERK (o.a.): Het betoverde circus
De draak die alleen maar NEE! kon zeggen
Het eenzame huis
"Fanfarella" of "Hier gebeurt nooit iets"
Is liefde blind?
Pampoeseken
Paris of spot niet met de liefde
De slimme streken van Klaas Galgenaas
Theatre d'amour
Tijl Uilenspiegel
De wereld wil bedrogen worden
De wonderfiets

Naar het begin van de pagina


Naeff, Jan Paulus (Oegstgeest 9 juli 1926 - Doesburg 17 november 1988)
Jan Paulus Naeff was zoon van een uitgever en neef van de schrijfster Top Naeff. Na zijn gymnasiumtijd in Delft en Gorkum (tot 1944), ging hij in Leiden Nederlands studeren zodra dit weer mogelijk was. Al sinds zijn puberteit schreef hij gedichten en in zijn studententijd ging hij hier intensief mee door. In 1951 trouwde hij, studeerde in 1952 af om in 1960 te promoveren en kreeg betrekkingen aan diverse scholen. In 1957 werd hij rector aan het Rijnlands Lyceum te Oegstgeest. Na dertien jaar hield hij het rectoraat voor gezien en werd hij onderwijsinspecteur in het oosten des lands. Naast zijn onderwijskundige werk, bekleedde Naeff ook vele functies in het buitenambtelijke leven.
Begin jaren tachtig verschenen de eerste romans van Naeff. Het zijn vaak ingenieus geschreven romans waarin een mislukte mannelijke hoofdrolspeler ten tonele wordt gevoerd. Ook de poëzie is in de jaren '70 en '80 weer volop aanwezig.
Naeff was in de eerste plaats neerlandicus, leraar, rector en onderwijsinspecteur. Het schrijven hoorde voor Naeff tot de middelen waarmee men zijn leven verfraait, stileert, erover reflecteert en -af en toe- over een dood punt heen helpt.

WERK (o.a.): Brebitia. Semi-pastorale in drie bedrijven (1957)
Hoog en laag (1980)
R.S.G. Rietstad. Roman over een scholengemeenschap (1981)
Het project Ter Borch (1981)
Töpffer, mijn zoon. Roman over de vader van Prikkebeen (1984)
Romaans

Naar het begin van de pagina


Theatergroep "De Nieuwe Koning" (1988-heden)
Het gezelschap " De nieuwe koning" bestaat al 15 jaar en heeft zich vanaf 1994 ontwikkeld in het organiseren van bijzondere theatervoorstellingen en culturele projecten voor het basis- en voorgezet onderwijs. Herkenbare, alledaagse verhalen zijn startpunt bij de ontwikkeling van de voorstellingen en projecten. Ze hebben inmiddels een beproefde theatervorm ontwikkeld die in de afgelopen jaren meermalen een succesvolle bijdrage heeft geleverd aan congressen, studiedagen en festiviteiten.Speciaal voor de gelegenheid geschreven acts en interactieve improvisaties verdiepen de inhoud geven vorm aan de rationele en emotionele beleving, confronteren het publiek, relativeren zowel de positieve als de negatieve kanten van het thema. Bovendien zorgt De Nieuwe Koning op muzikale wijze voor een verfrissende en aangename afwisseling in uw programma.

WERK (o.a.): De toeval en talentenshow

Naar het begin van de pagina


Pelgrim, Wilhelmus Gerardus (Eindhoven 14 maart 1984 – heden)
Wim Pelgrim is neerlandicus en docent Nederlands aan het Canisius College te Nijmegen.

Hij werd geboren in Eindhoven uit een Twentse moeder en Achterhoekse vader. Op driejarige leeftijd verhuisde hij naar Borne, waar hij naar de basisschool en vervolgens op R.K.S.G. De Grundel naar de middelbare school. Daar ontstond Pelgrims liefde voor het schrijven en werd een van zijn eerste musicals, Salmiak, door de toneelclub van de Grundel opgevoerd.

Sinds 2002 woont hij in Nijmegen, waar hij Nederlandse Taal en Cultuur heeft gestudeerd. Naast zijn studie is hij actief geweest bij de literaire talkshow LateLetterenLive, in het bestuur van culturele studentevereniging Diogenes, als financieel coördinator van het poëziefestival Onbederf’lijk Vers en hij was mede-oprichter en de eerste voorzitter van studentendansvereniging Dance Fever. Sinds 2003 is hij tevens lid van D66 en actief als bestuurslid van de afdeling Nijmegen en fractievolger in de gemeenteraad. Naast al deze activiteiten schrijft Wim Pelgrim nog altijd en publiceert op de site www.mensart.nl.

WERK (o.a.):

Toneel
Gesneuveld (1997)
Salmiak (1998)
Gekkenhuis de Grundel (2001)
Soldiers of misfortue (2002)
Klaasje Zevenster: de scenariowedstrijd (2002)
De Cock en de moord op de achtste (2004)
To Laqos (2004)
Werktitel (2004)

Proza
Het nieuw Nederlands Spreekwoordenboek (2003)
Flarden I (2003)
Flarden II (2005)

Korte verhalen
o.a. Waarom pennenvruchten kinderen zijn
      Waarschuwing
      Laten we het gewoon bij verse melk houden

Naar het begin van de pagina


Rietberg, Rob (... - heden)
Rob Rietberg is jaren leraar oude talen geweest aan de Grundel. In het schooljaar 2000-2001 is hij vertrokken naar scholengemeenschap Pius X in Almelo. Meer informatie over deze auteur is op dit moment niet beschikbaar. 

WERK (o.a.): De Egyptische meesterdief (tekstbewerking)(1986)
Revue "Vliegende schotels"
(1997)

Naar het begin van de pagina


Shakespeare, William (Stratford-on-Avon 23? april 1564 – aldaar 23 april 1616)
William Shakespeare was een Engels acteur, dichter en toneelschrijver. Hij werd reeds tijdens zijn leven erkend als de grootste van het twintigtal auteurs die de schouwburgen in het Elizabethaanse Londen van 60 à 70 stukken per jaar voorzagen.
Zijn vader John Shakespeare was waarschijnlijk rooms-katholiek en vrij zeker analfabeet. Hij was een zakentalent, die opklom van eenvoudig agrariër via handschoenmaker en huidenkoper tot raadslid en burgemeester van Stratford. Zijn moeder Mary Arden was dochter van een aanzienlijk landeigenaar.
Hoewel toneelstukken niet beschouwd werden als serieuze literatuur, en toneelschrijvers, in tegenstelling tot toneelspelers, nauwelijks bekendheid genoten, is over Shakespeares leven relatief veel bekend. Volgens een uitlating van zijn vriend en geleerde collega Ben Jonson beheerste hij enig Latijn en Grieks. Een klassieke vorming blijkt bovendien uit de brede kennis van de anglicaans-humanistische oudheid die uit zijn oeuvre spreekt.
Op 25 nov. 1582 trouwde Shakespeare met Anne Hathaway, dochter van een herenboer; zes maanden later werd hun dochter Susanna geboren en in 1585 de tweeling Hamnet en Judith. Over de periode daarna zijn geen biografische gegevens bekend tot aan een dagboeknotitie van de Londense bordeel- en schouwburgeigenaar Henslowe over een opvoering van Henry VI in maart 1592.
In 1587 nam Richard Field, een stad- en leeftijdgenoot, in Londen een drukkersbedrijf over. Dit bedrijf vervulde de functie van een soort intellectuele vakbeurs, die door geleerden en in de kunsten en wetenschappen geïnteresseerde edelen werd bezocht. Hier heeft Shakespeare waarschijnlijk zijn latere patroon, Henry Wriothesley, graaf van Southampton, ontmoet, aan wie hij in 1593 zijn erotische gedicht Venus and Adonis opdroeg en in 1594 het niet minder erotische Rape of Lucrece. Beide direct succesvolle uitgaven zijn gedrukt bij Field en als 'eerstelingen' door Shakespeare gesigneerd. Dat de opdracht aan de graaf in het eerste dichtwerk formeel en onderdanig was, maar in het tweede hartelijk en persoonlijk, wijst er kennelijk op dat Shakespeare dankzij deze imitaties van Marlowes Hero and Leander-bewerking van Ovidius, zijn entree tot de grote wereld had gevonden.
In 1598 publiceerde de schrijvende dominee Francis Meeres zijn Palladis Tamia: wit's treasury, waarin de Engelse dichters met de klassieke dichters worden vergeleken en Shakespeare (als auteur van blijspelen, treurspelen, epische dichtwerken en 'gesuikerde sonnetten voor zijn privérelaties') uitzonderlijk verrijkend voor de Engelse taal wordt genoemd.
Als toneelspeler blijkt Shakespeare volgens bepaalde aanwijzingen lid te zijn geweest van de gezelschappen van respectievelijk de graven van Pembroke en Sussex voor hij in 1594 toetrad tot de in dat jaar gevormde troep van de Lord Chamberlain's Men onder leiding van Richard Burbage. Met Burbage en met de bekende komiek William Kempe behoorde de 30-jarige Shakespeare toen tot de oudste leden en vervolgens aandeelhouders van het gezelschap, een positie die hij tot zijn dood toe behield. Zijn hele oeuvre is voor de Lord Chamberlain's Men geschreven, waarbij hun verheffing tot King's Men bij de troonsbestijging van Jacobus I in 1603 een erkenning was voor hun prominente positie.
Ook financieel ging het Shakespeare goed. In 1596 verhuisde hij van het noordelijk deel van Londen naar de zuidelijke oever van de Theems, omdat de Lord Chamberlain's Men het nieuwe Swan Theatre daar bespeelden. Tussen 1602 en 1604 woonde Shakespeare gedurende het speelseizoen op kamers bij een pruikenmaker, de hugenoot Mountjoy. In 1596 wist Shakespeare de oude aanvraag van zijn vader voor de titel van 'gentleman'-met-eigen-wapenschild door het College of Heralds gehonoreerd te krijgen. In dat jaar stierf tevens zijn zoon Hamnet. In hoeverre de cyclus sonnetten die hij in deze jaren schreef op biografische werkelijkheid stoelen, is nooit uitgemaakt. Zeker is dat het 'second-best bed' dat hij in zijn testament aan zijn echtgenote vermaakte, niet beschouwd dient te worden als een teken van ontrouw.
In 1597 kocht hij een groot huis te Stratford; juridische stukken over landaankopen wijzen op zijn geregelde aanwezigheid aldaar, terwijl bovendien zijn dochters in Stratford goede huwelijken sloten.
In Shakespeares schrijversloopbaan volgde vanaf zijn dertigste jaar het ene succes op het andere. Met name in de eerste twaalf jaar van de 17de eeuw schreef hij zijn grootste werken en allen beleefden hun première in het Globe Theatre, dat het gezelschap in 1598 vlak bij het Swan Theatre had gebouwd. Verschillende stukken van Shakespeare werden door reizende troepen tot diep in Europa in het Engels opgevoerd.
Toen Shakespeare zich in 1613 in Stratford terugtrok en in 1616 stierf, was hij een vermogend en alom geacht man, die zijn gezin welverzorgd achterliet. In de parochiekerk werd een borstbeeld van hem aangebracht; zijn collegae Heming en Condell bezorgden in 1623 de eerste uitgave van zijn verzamelde werken met frontispice door Martin Droeshout samen met de Works van Ben Jonson, een uniek feit in de toneelgeschiedenis. Met de dood van Elizabeth in 1670, zijn enige in leven gebleven kleinkind, stierf zijn geslacht uit.

WERK (o.a.): 1e deel Henry VI (1589-1590)
2e en 3e deel Henry VI (1590-1591)
Richard III (1592-1593)
Titus Andronicus (1592-1593)
The comedy of errors (1593-1594)
The taming of the screw (1593-1594)
Two gentlemen of Verona (1594-1959)
Love's labour's lost (1594-1595)
Romeo and Juliet (1595-1596)
Richard II (1595-1596)
A midsummer-night's dream (1595-1596)
King John (1596-1597)
The merchant of Venice (1596-1597)
Henry IV (1597-1598)
Much ado about nothing (1598-1599)
Henry V (1598-1599)
The merry wives of Windsor (1598-1599)
The passionate pilgrim (1599)
Julius Caesar (1599-1600)
As you like it (1599-1600)
Twelfth night (1599-1600)
Hamlet (1600-1601)
The phoenix and the turtle (1601)
Troilus and Cressida (1601-1602)
All's well that ends well (1602-1603)
Othello
(1602-1603)
Measure for measure (1603-1604)
Timon of Athens (1604-1605)
King Lear (1605-1606)
Macbeth (1605-1606)
Antony and Cleopatra (1606-1607)
Coriolanus (1607-1608)
Pericles (1608-1609)
Shakespeare's sonnets, never before imprinted (1609)
Cymbeline (1609-1610)
The winter's tale (1610-1611)
The tempest (1611-1612)
Henry VIII (1612-1613)
The two noble kinsmen (1613-1614)

Naar het begin van de pagina


Volle Venten (1994-heden)
Volle Venten bestaat uit Martijn ter Braak en Niek Schefer. Op de Pabo in Hengelo hebben ze elkaar ontmoet en gevonden. Wat begon als een geintje en hobby, groeide uit tot een professioneel cabaretduo. Ze doen heel veel: commercials, bedrijfsfilms, jeugdtheater, muziekproducties en nog veel meer. Toch is onze hoofdzaak het maken en spelen van cabaret. En dan vooral cabaret op maat, waarin het publiek iets van zichzelf terugziet. "Als je een voorstelling geeft en je hebt voorkennis dan is zo'n optreden dubbel geslaagd; immers hoe herkenbaarder de humor, des te leuker het optreden" is het motto.
Tevens hebben Ter Braak en Schefer enkele prijzen gewonnen, onder andere de Big Nine!, Publieksprijs van het 9e Groninger Cabaretfestival(1995).

Naar het begin van de pagina


Vleugel, Guus (Goes 29 april 1932 - Amsterdam 12 augustus 1998)
Tekstdichter en toneelschrijver, die vooral in de jaren zestig beroemd werd met controversiële teksten voor het cabaret Lurelei. Meer informatie hebben wij niet over deze auteur.

WERK (o.a.):
Teksten (1973)
Het schuldgevoel (1976)
De miraculeuze come-back van Mea L. Loman (1982)
Schandaal in Holland (1983)
Sterke drank in Oud-zuid (1983)
In de dromocratie (1984)
Een valse nicht (1985)
Srebrenica! (1996)
Angst en ellende in het rijk van Kok (1999)
Mal du siècle (1999)
Na de seksuele revolutie (1999)

Naar het begin van de pagina


Wood, Margaret (...-...)
Wij hebben geen informatie over deze auteur.

WERK (o.a.): De koperen ketel

Naar het begin van de pagina


Zomer, Wim (... 22 februari 19??-heden)
Na zijn eindexamen toneelschool Arnhem zong, danste en acteerde hij in de musical ‘Sweet Charity’. Overdag speelde hij hoofdrollen in talloze tv. series en ontwikkelende samen met Paul van Gent en Ger van Rossum een eigen theaterstijl. Dat leidde in 1969 tot het oprichten van Theater Wim Zomer.

Paul van Gent schreef de stukken n.a.v. actuele thema’s die ze met veel technische middelen vorm gaven. Totaal (meespeel) theater dat vooral in het onderwijs enorm aansloeg. Ze speelden in binnen en buitenland per jaar 400 voorstellingen, ook op theaterfestivals o.a. te Berlijn, Bonn, Brussel, Frankfurt, Leeds, Glasgow en Kopenhagen.

Om de reistijden te beperken vlogen ze op en neer in eigen vliegtuigen. Vele jonge acteurs begonnen bij hen  hun vaak roemrijke loopbaan. Ze maakten tientallen producties die nu nog door groepen in heel Europa gespeeld worden.

In 1988 besloten ze de groep te ontbinden en ging hij weer voor de camera werken. Eerst in de film Amsterdamned, daarna o.a. in Medisch Centrum West, Spijkerhoek en tenslotte bijna 10 jaar in GTST.

Helemaal opgeven wil hij het werken voor jonge mensen niet. Samen met Jeroen Harleman doet hij met veel plezier zeer bijzondere CKV toneel, televisie en film projecten voor het onderwijs.

In 1994 maakte hij van zijn droom werkelijkheid en realiseerde het Apeldoorns Wintercircus.

WERK (o.a.): Theater Wim Zomer

Naar het begin van de pagina